|

Nabij de Baltische zee zijn er afdrukken van een soort bij gevonden in gesteenten die 50 miljoen jaar oud zijn.
Uit dat insect is de huidige honingbij gegroeid.
Men noemt het “Apis mellifera” wat betekent: “bij die honing draagt”.
In de oudheid begreep men de relatie tussen bijen en honing niet goed. Men dacht dat nectar uit de hemel viel en voedsel van de goden was. Dat bijen nectar opzuigen uit bloemen en daarvan dan honing maken is pas na de middeleeuwen ontdekt.
De bijen werden toen als “mysterieus” beschouwd en dus heilig verklaard. Men geloofde dat ze een relatie hadden met de goden en de toekomst konden voorspellen. Of dat ze de zielen van overledenen meenamen naar die goden. Ook de voortplanting van de bijen konden ze niet verklaren.
Aristoteles vond het normale patroon “mannetje/ vrouwtje” niet en schreef er een ganse verhandeling over. Mede omdat die mysterieuze bijen zich, zonder mannetjes, razend snel konden vermenigvuldigen in de lente. In de oudheid stonden bijen dus hoog in de “top tien” van de merkwaardige dieren.
Ook in de middenleeuwen bleven bijen de kerkgeleerden boeien.
De werksterbij, die nooit geslachtsgemeenschap had, bracht honing en was voort. Het onbezoedelde maagdelijke was werd meteen uitverkoren om als paaskaars de altaren te verlichten in de kerken.
Overigens werd de ganse bijengemeenschap, met zijn strikte hiërarchie en zijn maagdelijke werksters, als voorbeeld genomen van de vele religieuze gemeenschappen.
Vandaag zijn de bijen huisdieren geworden, lid van het gezin.
In veel landen was het tot voor kort gebruik, om de dood van een gezinslid ook aan de bijen te gaan mededelen.
Maatschappelijk staan ze dus nog steeds in hoog aanzien. Maar nu om heel andere redenen: bijen zorgen onder meer ook voor de bestuiving van onze fruitbomen. Vooral voor appelen en peren is hun tussenkomst doorslaggevend; zonder bijen zou er nauwelijks fruit zijn.
|