|
Bijen vliegen op bloemen, waarvan ze de nectar opzuigen en bewaren in hun honingmaag.
Deze werksters noemt men “haalbijen”.
In de honingmaag ondergaat de nectar reeds een verandering, waardoor dat nectar later honing zal worden.
Wanneer de haalbijen in de kast terugkomen, geven zij de nectar af aan de werksters in de kast.
Deze werksters plaatsen de nectar in de lege celletjes.
De nectar bevat dan nog 60% water, wat veel te veel is om te kunnen bewaren.
De bijen klapperen met hun vleugels zodat een grote warme luchtstroom ontstaat in de kast en daardoor zal de nectar uitdrogen. Wanneer een groot deel van het water uit de nectar is verdampt, is de nectar honing geworden.
Om de honing goed te bewaren wordt elk celletje met een laagje was afgesloten.

Als de raat aan beide kanten vol zit met gevulde celletjes, kan de imker de honing oogsten.
Hij opent de kast en neemt er een vol raat uit waarvan de cellen vol honing zitten.
Met een speciaal mes snijdt hij alle waszegeltjes weg, zodat de honing opnieuw zichtbaar wordt in de celletjes.
Dan plaatst hij enkele raten, in een soort droogzwierder (centrifuge) en laat die snel ronddraaien. Door de middelpuntvliegende kracht wordt de vloeibare honing uit de celletjes geslingerd en in bokaaltjes opgevangen. Dat noemt men “honing slingeren”.
|