|
angel
|
Bevindt zich op het uiteinde van het achterlijf. Enkel bij de koningin en de werksters.
|
|
antennen
|
Zeer bewegelijke voelsprieten waarmee de bijen kunnnen voelen, ruiken en zelfs smaken.
|
|
beroker
|
Toestel waarmee de imker rook maakt, om de bijen te kalmeren.
|
|
bijendans
|
Taal van de bijen waarmee ze elkaar informeren waar voedsel te vinden is.
|
|
bijenstand
|
Een droge plaats waar een aantal korven staan, beschut tegen heersende winden.
|
|
bijenvolk
|
Een geheel met een koningin, werksters, darren en broed die samen 1 bijenkast uitmaken. Wordt ook “kolonie” genoemd.
|
|
Broed
|
Het totaal van de eitjes, larven en de ontwikkellende jonge bijen
|
|
cel
|
zeskantige ruimte in de raat
|
|
cellen
|
Zeskantig qua vorm, door de bijen in was gebouwd. In deze cellen legt de koningin haar eieren en bewaren de bijen het stuifmeel en de honing.
|
|
facetogen
|
Deze ogen staan aan weerszijden van de bijenkop. Ze bestaan uit 4 000 facetten, waardoor ze een gezichtsveld heeft van 360 graden.
|
|
haalbij
|
Werkster die er op uit vliegt om nectar, stuifmeel, water of propolis te halen.
|
|
honingmaag
|
Een kleine maag die zich juist voor de eigenlijke maag van de bijen bevindt. Hier wordt de nectar tijdens de terugvlucht bewaard.
|
|
honingzolder of honingkamer
|
Bovenste gedeelte van de kast waarin enkel de werksters komen om honing in de raten te stoppen. Een kast kan 1 of meerdere honingzolders hebben.
|
|
kwispeldans
|
Acht-vormige dans, door een werkster uitgevoerd die een voedselbron heeft ontdekt op meer dan 100 meter van de kast.
|
|
nectar
|
Waterachtige zoete substantie die door bloeiend bloemen wordt afgescheiden.
|
|
propolis
|
Harsachtige stof die de bijen verzamelen op de knoppen af de schors van bomen. Zij gebruiken de propolis om alle gaten en kieren in hun kast te dichten. Propolis heeft verder een ontsmettende werking
|
|
raat
|
Zeskantige cellen in was, door de bijen gemaakt. In deze cellen legt de koningin haar eieren en bewaren de bijen stuifmeel en honing.
|
|
rondedans
|
Cirkelvormige dans, door een werkster uitgevoerd die een voedselbron heeft ontdekt op minder dan 100 meter van de kast.
|
|
stamper
|
Vrouwelijk onderdeel van de bloem. Bestaat uit de stempel, een stijl en het vruchtbeginsel.
|
|
stuifmeel
|
Mannelijke kiemcellen van de bloem, in de vorm van fijn poeder. Bijen kauwen het stuifmeel tot korrels.
|
|
tong
|
Eigenlijk een sterk ontwikkelde buisvormige onderlip. Wordt onder meer gebruikt om de nectar uit de bloemen te zuigen.
|
|
vliegplank
|
Plank aan de ingang van de kast, waarop de bijen landen.
|
|
was
|
Afscheiding uit de segmenten aan de onderkant van het achterlijf van werksters en waarmee raten worden gebouwd.
|
|
was zweten
|
Uit de 4 laatste segmenten van het achterlijf der werksters worden wasplaatjes uitgezweet. De werkster brengt ze naar haar mond om te kauwen en te kneden. Daarna gebruikt ze deze was om raten te bouwen.
|
|
zwerm
|
Deel van het bijenvolk dat zich met een koningin heeft afgescheurd van de rest van de kast en de natuur is ingetrokken om een nieuw volk te stichten.
|
|
zwerm scheppen
|
Het recupereren door de imker van de zwerm in een lege kast. Aldus ontstaat een nieuw bijenvolk.
|